Spruitjes
De smaak van de Belgen
© Sven Laurent
Op het ogenblik dat u dit leest, zullen mijn spruitjes al lang verteerd zijn, want terwijl deze tekst vorm krijgt, ben ik spruitjes aan het blancheren. Met één oop houd ik de kookpan in de gaten, met het andera pen en papier. Het grote geheim van de bereiding van spruitjes is dat ze tweemaal moeten worden geblancheerd. Het blancheren neemt de bittere smaak van de groente weg en houdt de groene kleur intact. Het is belangrijk de spruitjes in een grote hoeveelheid kokend en gezouten water onder te dompelen tot het water opnieuw aan de kook raakt. De spruitjes afgieten en onder koud water spoelen. Nadat ze een tweede maal zijn geblancheerd, zijn ze nog zachter van smaak en makkelijker te verteren. Als de spruitejes gaar zijn, in tweeën snijden en bakken in boerenboter.
Laat me toe het verhaal van de Kuulkappers te vertellen, want achter deze heerlijke spruitjes schuilt een kostelijk verhaal. De bevolkingsexplosie die zich rond 1550 in de omgeving van Brussel voordeed, verplichtte de inwoners tot een uitbreiding van de groenteteelt. Ondanks hun inspanningen slaagden de landbouwers er niet in de productie op te drijven. Rond 1650 teelden onze fiere voorouders, voornamelijk inwoners van Sint-Gillis, een nieuwe soort kolen, De spruitjes maakten het mogelijk het bouwland maximaal te rentabiliseren. Ope en centrale as groeiden 20 tot 75 spruitjes dicht bij elkaar, verborgen onder bladeren. De spruitjes werden nadien van het veld gekapt, vandaar de bijnaam van de inwoners van Sint-Gillis : de Kuulkappers.




